Foto: Foto:

Column: Tellen

  Column

Het laatste weekend van januari is aangebroken. Samen met tienduizenden andere mensen ga ik vogels tellen. Maar niet in een natuurgebied of vanuit een vaste telplek op de heide. Nee, de telling doe ik gewoon vanuit huis. Eens per jaar, in het weekend, telt heel vogelend Nederland de vogels in de tuin zodat we in kaart kunnen brengen hoe het met onze tuinvogels is.

Nog voordat het licht wordt loop ik de tuin in. Het is koud dus in het naar buiten lopen gris ik even wat kleding bij elkaar. De jaszakken prop ik vol met doppinda's. Het strooivoer, een lading zonnebloempitten, vetbollen, pindanetjes en een beetje pindakaas moet ervoor zorgen dat er vandaag wat extra vogels op de voedertafels afkomen.
Ik ga naar binnen en besef me dat het nog minstens een uur duurt voordat het licht genoeg is om de vogels überhaupt te kunnen zien. Dan had ik net zo goed een uur later de vogels kunnen voeren...

Volgens de spelregels mag je officieel een half uur tellen. Zie je één minuut te laat een bijzondere vogel mag je die niet meer tellen. Ook ik houd me aan die afspraak, alleen start ik het half uur pas wanneer ik bijzondere vogel zie. Ik wacht dus nog een tijdje want er zit, ook nu het inmiddels licht is geworden, niet zoveel bijzonders.
Na een tijdje zie ik een keep. Een vrouwtje. Het is het Scandinavische neefje (in dit geval nichtje) van onze vink. Ik start het half uur. Buiten die keep zie ik helaas niet veel. Het meest opvallend, buiten die keep, zijn wat merels. Ze lijken zich dus te herstellen naar het Usutu virus, waar ik eerder over schreef.
Het resultaat valt wat tegen. Maar is dat erg? Is vogels tellen alleen leuk als je heel veel verschillende vogels ziet? Voor mij niet. Het ontspannen kijken, het besef hoe mooi en onvoorspelbaar de natuur is en de gedachte dat op hetzelfde moment in heel Nederland mensen precies hetzelfde aan het doen zijn als ik, tovert een lach op mijn gezicht.

Michael de Vries, natuurliefhebber en leerkracht basisonderwijs

Meer berichten