Logo edesepost.nl


Foto: Paul de Vries

Kankerhomo

  Column

De eerste keer dat ik als ongewoon werd neergezet was op de lagere school. Ik was 9 jaar. De leraar typeerde mij als anders. Hij gebruikte de term fatje om de kinderen uit te leggen dat er verschil was tussen hen en mij. Ik werd weggezet als iets dat minderwaardig was.Tot die tijd was er niets aan de hand. Op het schoolplein speelden we met elkaar alsof we aan elkaar gelijk waren.

Misschien was ik geen kind dat voldeed aan het typische jongensbeeld, ik kon inderdaad niet goed voetballen, maar dat was tussen ons kinderen nooit een belemmering geweest. We verschilden allemaal van elkaar, daarin lag onze kracht. Tot de leraar een waarde aan die verschillen toekende. Zijn waardering had impact, we waren geen eenheid meer.

In mijn tijd was een leraar iemand met gezag. Niet alleen voor kinderen, ook ouders hadden respect voor zijn functie en daarmee kreeg de persoon status. Zijn woorden hadden niet alleen gewicht, ze hadden effect want vanaf dat moment was ik iemand waar in essentie iets aan mankeerde. Een fatje.

Het gebruik ervan werd niet ontmoedigd. Het mocht openlijk als declassering van mijn menszijn worden gebruikt, het was immers geen scheldwoord maar een typering. De onuitwisbare impact die het op het kind had deed er daarbij niet toe, de gezagsdrager had het gebruik ervan via zijn functie gewettigd.

De klas waar ik voorheen een onbelemmerd onderdeel van had uitgemaakt was in zijn structuur veranderd. De omgang met mij was ongemakkelijk omdat het stigma op anderen overdraagbaar leek. De dagen erna ging ik met tegenzin naar school, ik at minder en had buikpijn. Het viel niemand op, mijn ouders hadden hun eigen sores en kinderen eten wel vaker slechter.

Omdat het voortdurend denigreren de sfeer in de klas drukte, de kinderen voelden blijkbaar intuïtief wél de verwerpelijkheid ervan aan, gebruikte de leraar uiteindelijk weer de normale typering, mijn naam.

Gezagsdragers, welke dan ook hebben een positie van waaruit er naar hen wordt opgekeken. Hun uitspraken hebben draagwijdte, mensen nemen hun woorden als waarheid aan, misschien incorporeren zij die in hun eigen waarden en normen. Soms slaat zo'n functionaris de plank mis, omdat hij geen voeling met de tijdgeest meer heeft of omdat hij zijn eigen aversie laat meewegen. Hoe dan ook, hun uitspraken doen iets met mensen. Het kan de één sterken in het schaden van de ander.

De recente uitspraak van de rechter dat kankerhomo niet bedoeld is als uiting van haat naar één groep, ook niet als het vergezeld gaat van het gezamenlijk in elkaar slaan van iemand uit die groep is dan ook verwerpelijk en geeft een sterk signaal af.

Kankerhomo wordt gebruikt om weerzin uit te drukken door twee termen die als abject worden gezien met elkaar te verbinden. Een van die termen is een bevolkingsgroep, waardoor het scheldwoord wel degelijk een specifieke uiting van haat wordt.

Waar gezagsdragers maatschappelijk falen hoop ik dat de samenleving inziet wat die klas van toen intuïtief begreep, dat het op welke wijze dan ook wegzetten van haar leden nóch het gedogen ervan een maatschappij naar een hoger plan tilt. Want als de geschiedenis ons iets geleerd heeft is het wel dat het uiteindelijk nooit bij wegzetten alleen blijft.

Meer berichten

Shopbox